Marry Overtoom-Bruin



b.o.t.e.r.b.l.o.e.m.

 

Ben nog nooit zo moe geweest

Onverwachts gaat hij naar huis

Tot niets meer in staat

Eindeloos moe

Raar vind ik het niet

Bedenk ik me nu

Laatst zag ik hem zitten

Onder een brug

Een klein zielig hoopje

Mens

 

© Marry Overtoom-Bruin

 

 

 

 

Bijzondere ontmoeting

 

vogels vliegen van ver, heel ver

vandaag vieren zij het voorjaar,

vol vreugde volgen zij elkaar

met vrachtjes vol veren.

 

zij voelen en kroelen, verbinden

een veelvoud van variaties

 

vergevingsgezind voeren zij

het koekoeksjong, want vader

is na zijn vrijage de vrijheid

tegemoet gevlogen

 

© Marry Overtoom-Bruin

 

 

 

 

 

 

Wachten en waken

 

Je bent ons eerste

kind. Ik zie je nog

komen, glijden uit

mijn warme lijf. Welkom

op de wereld, in ons

hart, in ons huis, in

ons leven.

Jij kijkt om je heen,

kiest en deelt. Wij

wachten, wij lijden

met lange en korte ei.

Wij wachten, zien en

zwaaien. Wij wachten en

weten dat welke keuzes

jij ook maakt, wij zullen er

altijd voor je zijn. Door jou

werden wij ouder. Wij

zullen altijd op je wachten

en waken.

 

 

 

 

Zwart-wit

 

Als het leven tegenzit

zie je alles in zwart/wit

Je ziet dan helemaal geen kleuren,

je  laat het allemaal gebeuren.

 

Heel de wereld lijkt grijs en grauw

maar  dan, midden in de winter, na een poos

zie je plotseling een roos

die bloeit dan speciaal voor jou!

 

© Marry Overtoom-Bruin

 

 

Veerkracht

Op een koude wintermorgen in het jaar 1928 vraagt een moeder aan Agie, haar negenjarige dochter, voor zij naar school gaat wat zij graag  hebben wil. Het meisje vraagt een warme jas zodat ze niet steeds kranten onder haar dunne jas hoeft te stoppen. Bij thuiskomst wordt het meisje door een buurvrouw opgevangen. Haar moeder ligt in bed en er ligt een zusje in de wieg. Agie wordt al gauw Zus genoemd en zorgt voor moeder en het hele gezin. Als zij vijftien jaar is, wordt zij uit werken gestuurd. Dat zal Agie haar hele leven blijven doen.

Zij ontmoet in een koude winter, tijdens het schoonrijden op de schaats, haar aanstaande man. De geliefden wachten met trouwen tot de oorlog voorbij is. Dan vinden zij een houten schuur, waar beneden de werkruimte is voor haar man en boven onder het schuine dak  hun woning.

Veerkracht, dat heeft zij! Steeds de ladder op- en afgaan, luiers uitkoken van vijf kinderen, vijf kinderen die haar zorg en liefde nodig hebben, alsook haar man, die nadat zij van haar rust genoten heeft tijdens het derde kraambed, een hartaanval krijgt en bedrust voorgeschreven krijgt.

Veerkracht, dat heeft zij, als je bedenkt met hoe weinig middelen een arm tuindersgezin  moet zien rond te komen, een zieke man moet verzorgen onder het schuine dak van een koolschuur. Na de geboorte van het zesde kind kunnen zij een nieuwe woning betrekken. Een woning met een royale woonkamer, keuken, zelfs een toilet en vier slaapkamers. Zij hoeft niet meer bij nacht en ontij de po te legen op afstand achter  de schuur.

Veerkracht, dat heeft zij als ze bemerkt dat mensen jaloers zijn op haar verworven domein. Jaloers zijn de mensen hoe  zij genieten kan  van een busreis naar Alkmaar om haar  man in het ziekenhuis te bezoeken. Het zijn haar enige uitstapjes en zij maakt er het beste van. Altijd zorgt zij voor haar man en opgroeiend gezin. Ze gaat met een pannetje soep naar een zieke buurvrouw, iedereen kan altijd een beroep op haar doen. Zij houdt rekening met ieders wensen. De kinderen trouwen en gaan het huis uit.

Veerkracht, dat heeft zij als zij, samen met haar man,  het nieuws aanhoort  dat hun dochter op 28-jarige leeftijd is overleden na een ernstig ongeval. Hun dochter laat een man en drie jonge kinderen achter van twee, vier en zes jaar. Zij steunt het getroffen gezin waar mogelijk en laat haar eigen verdriet niet blijken. Zo leeft zij verder met haar zieke man tot zijn overlijden.

Veerkracht, dat heeft ze als ze alleen achterblijft. Ze hoeft alleen nog voor zichzelf te zorgen en dat doet zij. Ze maakt uitstapjes met bus en trein, met vriendinnen en gaat op zwemles. Ze leert wat de betekenis is van haar naam: Aagje. Waarom nieuwsgierig Aagje? De heilige Agatha, van wie haar naam afstamt, heeft bij haar man, een belangrijk vorst, er op aangedrongen dat hij het volk zal bevrijden wat door laster onderdrukt werd. Zij heeft de waarheid met haar wilskracht en veerkracht boven tafel gekregen. Een voorvechtster van het volk.

Net als de heilige Agatha heeft Agie veerkracht getoond. Mijn moeder!

©  17 april ’16

 

 

  

Een extra dag,  29 februari

Dit jaar vieren wij  weer schrikkeldag. Voor mij een bijzonder jaar, mijn vader zou zijn 25e verjaardag gevierd hebben. Vroeger was het feest, groot feest. We hebben het meegemaakt, dat de burgemeester langs kwam om de jarige persoonlijk te feliciteren. Mijn vader was verguld! Ook gebeurde het dat vader zijn  verjaardag in het ziekenhuis vierde. 

Vader had een ernstige hartaandoening, waarvoor hij behandeld werd in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. De zusters hadden zijn bed versierd met ballonnen en slingers en op de deur van zijn zaal hadden ze het getal 13 in kleurige cijfers op een mooi vel geschreven. De jarige lag te glunderen in zijn bed. Wat schetste onze verbazing? Een deur verder lag een meneer die dezelfde dag 14 jaar werd  en op een andere afdeling vierde  een mevrouw haar 15e verjaardag. Feest in het ziekenhuis!

Bij ons thuis werd  een pakketje afgegeven met de felicitaties van het college van burgemeester en wethouders. Daar was mijn moeder blij mee. Immers, dat kostte haar geen tijd om bij het bezoek  te zitten en hoefde zij ook geen sigaar te presenteren. Want we waren een groot en arm gezin. Als kind  had ik daar weinig van gemerkt, we waren niet anders dan andere gezinnen in ons dorp.

Alleen hadden wij een bijzondere vader en zijn verjaardag werd groots gevierd, eens in de vier jaar. Nu gaan wij weer zijn verjaardag vieren. De jarige wordt herdacht door zijn hele familie, zijn kleinkinderen organiseren een gezellige reünie.

 

 

 

 

Broer

De titel van het Boekenweekgeschenk.

Misschien denk je  dan aan je broer, die je hebt of graag zou willen hebben. Als ik denk aan mijn broers, ik heb er drie, denk ik het eerst aan mijn oudste broer. Mijn  broers zijn verschillend, natuurlijk. Ieder mens is uniek. Als klein meisje heb ik me altijd veilig gevoeld bij mijn oudste broer. Er kan mij niets gebeuren als hij in de buurt is. Ook weet hij altijd raad, dat is tenminste wat ik denk. Of hij zich daar zelf van bewust is, weet ik niet. Als ik in de pubertijd kom, gaan wij tweemaal in de week ’s avonds een rondje lopen van een uur lang. We praten en praten, we raken nooit uitgepraat. Dat was vroeger zo en dat is nog steeds zo. Alleen lopen we niet meer tweemaal per week met elkaar. We hebben inmiddels allebei een gezin, ons leven is veranderd, maar niet onze verhouding tot elkaar. Die blijft. Dat weten onze partners ook.

Laatst waren we op een verjaardag bij onze oudste zus. We hadden elkaar een poosje niet gezien dus waren volop in gesprek tot de jarige vroeg of het niet wat zachter kon. We keken elkaar aan, zij heeft nooit zo’n band gehad met haar eigen broers.
Nu zijn onze kinderen volwassen. Komen gelukkig regelmatig thuis en laatst vroeg onze dochter aan haar broer: ‘Zullen wij op een avond  samen een rondje lopen?’
En dat gebeurt nu af en toe. Ze vinden het allebei leuk en ik begrijp dat. Ik herken dat gevoel.

 

 

 

 

Skoene kope

De tillefoôn gaat, Ans belt of ze strakkies mee wul voor ’n boskip. Nei, deer het Greet hillegaar gien zin an. Ze het soches deur huis gnappies doorwerkt en deer wul ze nou effies van geniete. Lekker achterover in de luie stoel. Maar Ans houdt an en zoit dat ’t lekker weer is voor ’n ritje op de fiets. Dat Greet gaat overstag, pakt heur pin en tas en den gane de woifies, lekker in ’t zontje. Bai ’t winkelcentrum zoit Greet teugen Ans dat ze nuwe skoene hewwe wul. Die ze nou an d’r biene het, benne van kunststof en de zoôl het d’r man net nag loimd. Dat ze gane met mekaar de skoenewinkel binnen. De verkoopstert loit de dames lekker rondkoike en as Greet ’n paar mooie stappers vonden het, vraagt ze of alles naar wens is. nou nei, Greet wul ok de linkerskoen  wel passe. Maar de verkoopster wacht ’t eerst of en koikt of de maat wel goed is, dernei koikt ze wel voor d’are skoen. Onderwoil het Ans al ’n paar are skoene vonden en die wul Greet ok wel passe. Ze het ’n zwarte antrokken en die bruine staat d’r ok wel an. Den gaat ’t grietje toch nei achteren en beprate de woifies wat Greet kope zal. Maar Greet ken niet beslisse en koikt d’rs in de rondte en ziet nag veul meer. ’t Komt zo of dat Greet vier paar skoene koopt. Maar weer leit ze die?! Ze benne op de fiets en vier grôte skoenedoze… Greet zoit teugen de verkoopster dat ze nei ’n toidje wel trug komt en dat ze eerst nag effies vedder koikt. Of de verkoopster de skoene efkes achter zette wul.

Greet is mazzel. Ze benne nag amperan de winkel uit of Ans ziet kennis, ’t snaartje van Greet. ‘Moid, deer hew je Miep! Hoe zou die hier komme weze?’ Dat Greet stapt op heur of en zoit: ‘Miep, ok lekker an ’t winkele? Bè-je op de fiets?’ Maar nei, Miep is effe op ’n heen-en-weer met de auto gaan. Dat Greet vertelt van d’r ankope, vier dôze met skoene en of Miep die met de auto meeneme wul. Miep zoit dat ze den efkes wachte moet want ze gaat eerstens nei ’n luchieswinkel en dernei loopt ze wel mee nei de parkeerplaas. Ze denkt bai d’r oige: ‘Moid, moid’, wat bè-je toch ’n grôte stos’, maar ze zoit niks en brengt de skoene allegaar bai ’t huis van Greet en belt an. As den de man van Greet open doet en de stapel skoene ziet, zoit ie teugen Miep: ‘Noh, zat ze zonder?!’

 

 

 

Denkend aan Waarland
zie ik de toren van de kerk
hoog boven huizen en bomen staan.

De school en de kroeg, iets verder weg,
zij blijven bestaan;
van welke woonplaats die ander komt
‘Kom je uit Waarland vandaan?
Dat kan je wel horen’.

Dat dorp, al eeuwenoud, bereik je
slechts over een brug,
uit alle windstreken vandaan.
En waar je ook naar toe wilt gaan, je komt
steeds weer terug voor de spouwers
die de bakker met kermis bakt,
of de biefstuk van de slagerij die
steeds overgaat van vader
op zoon; of de visboer,
die zijn plekje gevonden heeft
voor de VéGé van weleer.

De mensen zijn vriendelijk, tot helpen
bereid en ze besteden alle tijd om alles
van je te weten, dat is hun aard.

En ik weet, ik blijf een Waarlandse,
toch woon ik al ruim veertig jaar
in de Waard

 

 

Swierfrugt

 

O Swierfrugt,

gij lekker ding

Maak mij blij en zing

van swieren en frugten

en alle genugten

dat bij een Swierfrugt hoort.

 

Gij Swierfrugt

gooit alle grammatica

blijmoedig overboord.

Daarvan wil ik zingen

met letters omringen

Lekker swieren

en frugten

met alle genugten

die bij jou,

Swierfrugt,

hoort

 

 

 

 

 

De toekomst is nu
 
De toekomst is nu,
vandaag is het heden

Heden vervul ik een opdracht,
opdracht tot schrijven

Schrijven met een thema,
thema zet mij aan tot denken

Denken waar ik mee bezig ben,
ben blij met mijn schrijfvriendinnen

Schrijfvrienden die me stimuleren,
stimuleren dat ik bezig blijf

Blijf schrijven!
Nu, vandaag, de toekomst is nu