Eugènie Herlaar

 

 

 

 

Verlangen

Soms verlang ik naar de tijden
waarin je nog niet alles wist.
Toen mijn wereld was begrensd
door de zee langs lange stranden. 

Wat er ver van huis gebeurde,
buiten dat begrensde deel,
gaf geen reden tot veel onrust.
Het stond spaarzaam in de kranten.

Nu is alles veel complexer.
De techniek stond lang niet stil.
Je zit midden in een aanslag,
in een oorlog, ziet zelfs moorden.

Het beklemt me, maakt me angstig.
Dicht bij huis gebeurt ook veel.

Soms verlang ik naar de tijd,
waarin ik nog niet alles hoorde.

 

 

 

Naar het licht

We lopen naar het licht,
vanuit de duisternis,
ons wacht een nieuwe tijd
die nog vol vragen is.

We kijken niet meer terug,
’t verleden is geweest.
We dragen het wel mee,
het zit in onze geest.

Die basis geeft ons steun,
ervaring geeft ons kracht.
De toekomst wenkt ons nu,
in ‘t licht dat naar ons lacht.

Van wat achter ons ligt
lopen we naar het licht.

 

 

 

Stil genot

Ik kan genieten van de stilte.

De stilte van de adempauze
na uitgesproken woorden. 

De stilte van het moment waarop
de nacht de schemering omsluit. 

De stilte van het nieuwe jaar
na al het feestgedruis. 

De stilte waarin de eerste
sneeuwvlokjes zweverig dalen.

De stilte waarmee na vorst een
dooidruppel zijn ijspegel verlaat. 

Ik geniet van die stilte in wintertijd.

Toch verlang ik naar de lente
waarin een dauwdrup
aarzelend langs een stengel glijdt.

 

 

 

Er zingt…..

Er zingt een liedje in mijn hoofd,
een liedje zonder woorden.
Schuilde een componist in mij,
het zou tot symfonie verworden.

Het blijft in mijn beslotenheid
rondzweven in gedachten,
als opus zonder nummer.
Een partituur van tonen
met een vervagend eind.

 

 

 

Regenbui

Het grijst en ruist,
nat wolkt de regen het land. 

Buiten reikt een kind naar moeder
en omarmt een moeder haar kind.

Doorweekt thuiskomen,
droog en warm wrijven,
geurige thee drinken
met vertellingen.

Koesterende verhalen
opgeroepen door
verbeeldende wolken,
omhoog gestegen
van beregende aarde.