Ben

Heel kort heb ik met iemand gespeeld die keeper was geweest bij een Noord-Afrikaans team dat meedong om de wereldtitel in de jaren negentig. Iedereen noemde hem bij zijn tussenvoegsel omdat dát makkelijker (godbetert!) was dan zijn voor- of achternaam: Ben. Een geweldige man met een triest verleden.

Cruijffie, want dat is makkelijker dan: Johan. Toen had je daar eveneens een Neeskens en Metgod van.

“Ben”.

Zijn werkelijke naam werd nagenoeg nooit genoemd.

Stel: je heet Francien van Klaveren. Iedereen noemt je: “van.”

Wij hadden vroeger op het dorp opeens mensen uit een buitenland terwijl het een kolonie genoemd werd...

 

 

 

ijspret

even sneeuw, een jongetje op een slee
wantjes bungelend aan een onzichtbaar draadje
hobbelglijdend over het smalle paadje
vader trekt de last voor twee
de winter echoot uit een ver verleden
de galm bevriest het stille water
de hoop kreunt in de ijle lucht: laat ‘r
een vorst dit winters rijk betreden
de slee stokt in het grijs bedekte zand
de ruiter schiet van zijn houten ros
belandt aan de zoom van het kale bos
één want triest onder de blote hand

gestrand in eendagssneeuw

 
©Piet Doedens

 

 

 

Ontdekking

op mijn avondwandelingen

onder ritselende populieren
in traag vallend avondlicht
drong het langzaam tot me door

iedere keer als ik daar liep
stond hij aan de kant van de donkere vijver
turend in het water zonder dat ik wist wat hij zag
nu staat hij er niet meer verdronken in zijn spiegelbeeld


©Piet Doedens

 

 

 

Ze vroegen me

Ze vroegen me te wachten

Ze vroegen me te gaan
Ze vroegen me te passen
in hun levendig bestaan
ze vroegen me te denken
in een trend van never end
maar vergaten me te zeggen dat je dan een ander bent 

en dat kan ik niet zijn want mijn vreugde en chagrijn
moeten immer en forever de mijne zijn

©Piet Doedens